Mattheus en Lucas zitten bij elkaar en halen herinneringen op aan Jezus. Het is zaak de verhalen over Jezus op papier te gaan zetten. Straks weet niemand ze meer. Weet je nog van toen Mattheüs? Ik kan me het niet meer herinneren Lucas. Vertel eens! Mattheüs en Lucas diepen vervolgens samen de verhalen op en zetten ze op papier. Mattheüs besluit zijn verhaal te componeren volgens de structuur van het eerste en oude testament, Lucas kiest zijn eigen weg. De vrucht is: Koning op een ezel, het laatste (en eerste boek voor jongeren) van Nico ter Linden.
De structuur van het boek, twee evangelisten die elkaar verhalen over Jezus toevertrouwen, veronderstelt dat er ook echt verteld gaat worden. Maar Ter Linden vertelt niet, hij legt uit, verklaart en preekt. De raamvertelling ontwikkelt zich tot een dwingend en benauwend theologisch voorschrift. Dit wordt veroorzaakt door de grote angst van de auteur dat zijn lezers zullen afhaken omdat ze iets moeten geloven wat niet kán. Daarom verklaart hij alles (wij moderne mensen weten tenslotte beter!) en laat weinig ruimte voor de eigen verbeelding van de lezer. Het doet mij denken aan de zondagsschoolverhalen van vroeger, die weliswaar op een andere leest werden geschoeid, maar even weinig te raden over lieten als de verhalen van Ter Linden. Jezus begrijpt jou, jij begrijpt Jezus.
Laat ik beginnen te stellen dat ter Linden aan zijn eigen methode geen recht doet. Wat wil hij? In het voorwoord legt hij nog een keer zijn dogma uit: verhalen zijn wel waar, maar niet waar gebeurd. Het is zijn bekende uitgangspunt. Ik deel het als theoloog niet (het is m.i. wel degelijk de bedoeling van de evangelisten geweest de feitelijkheden rondom Jezus op papier te zetten), maar het is een interessant gedachtenexperiment. Het voert ons even weg van de vaak onvruchtbare discussie rondom de historiciteit van Jezus en brengt ons naar het niveau van het verhaal en de taal. Het is ook een uitgangspunt dat in het theater wordt gehanteerd: een verhaal kan waarheid bevatten zonder waar gebeurd te zijn. Fictie houdt de mens een spiegel voor die hem zichzelf en zijn wereld doet leren kennen. Het is de reden waarom wij romans lezen en bioscoop en theater bezoeken. Het verhaal ordent ons bestaan, geeft er betekenis aan en plaatst gebeurtenissen binnen een zinvol verband. De gelijkenissen van Jezus vormen prachtige voorbeelden voor de onthullende functie van fictie.
Het tweede vertrekpunt van ter Linden is dat hij stelt dat verhalen in ‘verhaaltaal’ zijn geschreven. Hij bedoelt daarmee dat de verhalen als poëzie moeten worden begrepen. Ook hier gaat het hem dus niet om de historiciteit, maar gaat hij nog een stap verder. De betekenis van een verhaal ligt niet in de vertelde handelingen zelf, maar in datgene wat er aan betekenis achter de handeling ligt. Wanneer Jezus over het meer wandelt heeft hij niet over het water gelopen, maar wordt er verteld dat hij sterker is dan de dood. Ter Linden weet die betekenis.
Wat is nu de winst van deze benadering? Vrijheid. Het feit dat een verhaal wel waarheid bevat, maar niet waar hoeft te zijn gebeurd geeft aan de verteller een grote vrijheid. In het verhaal kan nu van alles gaan plaatsvinden. De verteller kan gaan spelen met begrippen als ruimte en tijd en hij beschikt over leven en dood van zijn personages. Binnen het verhaal is het geen enkel punt dat Jezus zieken geneest of Lazarus uit de dood haalt, binnen het verhaal kijkt Petrus Jezus weer in de ogen na diens opstanding. Ook dat laatste, de opstanding, is binnen de kaders van het verhaal geen enkel probleem. Een goed verhaal zoekt naar de grenzen van het mogelijke, tast ze af en overschrijdt ze, indien het verhaal daarom vraagt. Juist de vreemdheid van het verhaal vormt de aantrekkingskracht ervan, doet ons verlangen kennis te nemen van een andere wereld en laat ons die wereld onderzoeken. Binnen dat onderzoek proberen we ons te identificeren met de hoofdpersoon en leven we mee in de keuzes die hij of zij maakt in de strijd die er wordt gevoerd. Het verhaal kent een veilige vreemdheid. Als hoorder geef ik me over aan de verteller die mij het onbekende land binnenvoert. Het is het verlangen naar deze vreemdheid met de waarborg van veiligheid dat lange rijen voor de bioscopen doet ontstaan in plaats van rijen voor de kerken.
Ter Linden nu beperkt zichzelf in zijn vrijheid als verteller. Voortdurend is hij de kritische corrector van zijn verhaal, die stelt dat er geen dingen verteld mogen worden die niet waar gebeurd kunnen zijn. Zo gijzelt hij het verhaal, maar wordt het begrijpelijk gemaakt voor de moderne lezer. Het dochtertje van Jaïrus (een moeilijk verhaal, want het gaat hier over dood en opstaan) wordt bij hij hem het verhaal van een meisje dat weigert te eten omdat haar ouders haar niet willen loslaten. Jezus is degene die haar bij de hand pakt en doet opstaan: “meisje sta op! Sta maar op eigen benen, je kunt het heus. Opstaan, het is de hoogste tijd!”.
De verlegenheid met feiten in een verhaal die wij als moderne mensen niet of moeilijk kunnen bevatten maakt dat ter Linden met oplossingen opkomt, die op een ander, meest psychologisch niveau liggen. Daar waar wij niet meer kunnen begrijpen wordt er een benauwde woordspelerigheid ingevoerd. Jezus helpt mensen overeind. Jezus zet mensen op de been. Het zal wel, denk ik dan. Maar wat moet ik er mee? Mag de vreemdheid van het verhaal niet gewoon even blijven staan? Ik blijf enigszins verward achter als ik in de bijbel het verhaal lees van het dochtertje van Jaïrus. Misschien is dat ook wel de bedoeling…
Ter Linden is bang dat zijn lezers weglopen als hij het níet uitlegt. Ik denk echter dat het omgekeerde het geval is. Als het verhaal op het niveau van de vertelde handelingen geen kans krijgt, wordt mij als lezer geen gelegenheid geboden om me te identificeren met situaties en personages. Een verhaal wordt niet verteld omdat ik me kan vinden in een metafoor die gebruikt wordt, maar wel doordat het verhaal in al zijn contrasten ten tonele wordt gevoerd. De verhalen hebben kracht genoeg om zelf betekenis op te roepen. Vervolgens wil ik zelfstandig kennisnemen, horen, zien, voelen en het verhaal ondergaan. Ik wil serieus genomen worden om zelf de betekenis of meerdere betekenissen te ontdekken en op het spoor komen van de meerduidigheid van de beelden. Het kan zijn dat het verhaal voorlopig alleen maar als een beeld in mijn hoofd met me meegaat, omdat ik het niet begrijp of omdat het beeld mij diep in mijn ziel raakt. Ook dat is prima. Niets is dodelijker voor het drama en de spanning van het verhaal als mij direct wordt gezegd en wordt verteld hoe ik moet begrijpen, of wanneer mij voorgeschreven wordt wat ik wel of niet moet geloven. Als hoorder accepteer ik niet dat dit concrete leven dat ik voorgeschoteld krijg alleen begrepen kan worden op een ander, metaforisch, niveau. Het maakt het verhaal bloedeloos en sluit op geen enkele manier aan op mijn eigen leven dat ook niet als metafoor wordt geleefd. Ik heb de indruk dat ter Linden bang is voor het echte leven. Hij maakt van Jezus een man van zijn dromen.
Ferdinand Borger

