Reünie 09/05

Twintig jaar geleden woonde ik een jaar in Versailles in Frankrijk en zong in een koor dat toen nog maar vijf jaar bestond. Dat het een jong koor was wist ik toen niet, maar vorige zomer kreeg ik een mail met de uitnodiging voor een reünie vanwege het vijfentwintig jarig bestaan. Ik besloot te gaan.

Zo loop ik vrijdagavond met tassen in een voor mij onbekende wijk van Versailles op weg naar Marie Jeanne, bij wie ik ga logeren. En schuif bij haar aan tafel bij een gerecht van bloemkool en aardappelen. Ze is dertig jaar bibliothecaresse geweest van een bosbouwinstituut in Nancy en sinds drie jaar weer terug op haar geboorteplek. Ik maak kennis met haar broer van eenenzestig, gehandicapt op zijn achttiende vanwege een auto ongeluk, die ik nog nooit heb gezien, maar toen vlakbij moet hebben gewoond.

De volgende dag zie ik Eliane terug, actief bij de Mission Populaire in Trappes, één van de voorsteden, waar vanuit de kerken sociaal werk wordt verricht. En Pilou, de voorzitter van het koor, die ook nog president blijkt van een stichting die asielzoekers opvangt en daarvoor elke dag 1300 hotelkamers in Parijs en directe omgeving huurt, en Bernard, Vlaming, met wie ik een existentieel gesprek voer in hoeverre we bij België nog van bestaan kunnen spreken.

Maar ik mis Jean. Jean was de bas naast mij in het koor. Jean was van de vrolijke discussie en de gespeelde verontwaardiging. Jean kon discussiëren, zoals alleen Fransen dat kunnen. Als Jean sprak dan was het altijd een beetje theater. Misschien dat ik hem daarom zo graag mocht.
Als om tien uur de repetities beginnen voor het eenmalig-groot-koor-concert is Jean er nog steeds niet. Zijn vrouw heb ik wel gezien en zijn dochter ook. Ik durf niet te vragen of hij nog leeft. Tijdens het middagmaal zie ik bij de ontvangstbalie een badge liggen met zijn naam. Ik spreek zijn vrouw aan. 'Jean komt nog' zegt ze, 'maar het gaat niet goed. Hij ziet bijna niets meer en ook het hoofd wil niet meer.'

Vlak voor vijven, als ik een plek zoek voor het concertgedeelte waarin ik niet meezing, zie ik Jean in de zaal. De plek naast hem is vrij. Ik vraag of ik naast hem mag zitten. Dat is goed zegt hij. Ik spreek hem aan. 'C'est moi, Ferdinand, le Hollandais, tu te souviens?' Dat doet hij. Dan halen we herinneringen op. En daarvan moet hij het hebben, want hij ziet alleen nog schimmen. Hij pakt mij bij mijn arm vast, zoals hij dat toen ook deed, wanneer hij me wilde overtuigen. 'We hebben goede herinneringen aan u', zegt hij. Hij tutoyeert niet meer. 'En ik aan u', zeg ik. Ik heb nog nooit u tegen hem gezegd. Dan laat ik hem alleen en neem plaats in het koor. We zingen de liederen van twintig jaar geleden. Even sta ik weer in een kerk in Normandië voor een concert, in het Oratoire du Louvre tijdens een radio-uitzending en op het station van Versailles voor het Feest van de Muziek.

Je gaat naar een reünie om wat blijft, voor een koor dat vijfentwintig jaar bestaat en misschien ook wel de vijftig of honderd haalt. Toch zie je niet wat blijft, maar wat voorbijgaat. 'On vieillit tous', zegt Maryse, ver in de tachtig, en ergens zie ik nog de twinkelende spot waarmee ze spreekt. Maar ik zie het omdat ik het weet. Van vroeger.
Le grand concertLe grand concert