Het navigatiesysteem is in een onstuitbare opmars. Frank van het autoverhuurbedrijf vertelde mij vorige week dat de meeste klanten niet meer zonder navigatiesysteem de deur uitgaan. Zelfs de mensen die vroeger fluks de kaart hanteerden (veertigers en vijftigers), vertrouwen zich het land niet meer toe zonder de stem die hen - omfloerst, Vlaams of streng - de weg wijst. De ANWB meldde vorig jaar op de buitenlandse steunpunten een toename van telefoontjes met wanhopige mensen die met een navigatie en panne geen idee hadden waar ze waren aangekomen en nog minder wisten hoe ze verder moesten. En of de wielerbond ze wilde komen redden.
'Volg de borden' zou je dan willen roepen, maar dat is een onzinnig advies. Zonder kaart en zonder topografische kennis worden richtingaanwijzers met Lyon, Perpignan, Firenze of Zürich nietszeggende woorden, inwisselbaar voor Worst, Kaas of Ham. Laat staan dat afkortingen als A5 of A86 je ook maar enig benul geven waar je naar toe zou moeten. Richting is een relatief begrip en krijgt pas betekenis als het wordt gekoppeld aan iets anders. In vroeger tijden moet het zich hebben verbonden aan zee, kerktoren of bergen, aan elementen die mensen konden zien en onderscheiden. Toen de wereld verder werd ontdekt en in kaart gebracht gingen de wegen steeds meer in de richting van plaatsen waar men nog nooit was geweest. Een kaart was niets anders dan de neerslag van de reizen die anderen je waren voorgegaan. Mensen leerden de kaarten te lezen en lieten de bakens van bergen en kerktorens langzaam los. En zo doen we het nog steeds. Als ik bij knooppunt Diemen de A1 oprijd weet ik dat ik naar het oosten rijd en oriënteer mij niet meer op het landschap als zodanig, maar op wat ik van wegen en landschap weet.
Ik heb dan ook niets met navigatiesystemen. Ik ben er te eigenwijzig voor. Ik wil niet door een onbekende stem naar een onbekende wereld worden gebracht en al helemaal niet als dat door een samenspel van zeven satellieten gebeurt. Kom zeg, ik ben een onafhankelijk en zelfstandig denkend mens! Nee voor het op reis gaan wordt de kaart op tafel uitgevouwen en begint de verkenning van het platte vlak, het liefst in het schijnsel van een olielamp. Ik probeer me te verbeelden hoe het land er in werkelijkheid uit zal zien, kijk welke afslagen ik moet nemen en prent alvast de omgeving van mijn reisdoel in het hoofd. Ter plekke weet ik mij zo prima te oriënteren. In Parijs weet ik waar Chartres, Versailles en St. Denis liggen, in Barcelona Figues en Zaragoza en in Maastricht Luik, Aachen en Hasselt om maar enige voorbeelden te noemen. Dan wordt de kaart opgevouwen en niet meer geopend. Geen groter genoegen om vervolgens met kaartkennis in het hoofd in een onbekende omgeving direct naar mijn bestemming te rijden. Alsof ik er al jaren kom. Best wel macho ook.
Maar goed, de moderne tijd gaat aan mij niet voorbij en sinds een paar maanden vraag ik me af of mijn kaartleessessie niet hopeloos is achterhaald. Moet ik me voor deze handeling misschien al schamen? Of behoor ik inmiddels tot de recalcitrante romantici die zich vastgrijpen aan een wereld die voorbij is? Waarom dan vasthouden aan die kaart? In de geschiedenis is er al heel veel kennis met recht en reden onderweg overboord gekieperd. Kennis veroudert en kan op den duur worden gemist, hoezeer mensen daar in eerste instantie anders over dachten. Ik ging bij mijzelf te rade en ontdekte al snel het weten dat in de loop der eeuwen aan mij is vooraf gegaan en dat mij zelfs nooit heeft bereikt. Ik kan me de dag niet meer herinneren dat ik 's morgens met speer de deur uitging op jacht naar dagelijks voedsel. Ik heb geen idee hoe je een paard ment om het over een jaagpad een boot te laten trekken. Communicatievaardig-heden als rooksignalen zijn mij vreemd. Het ambacht van smidse en aambeeld ken ik alleen van horen zeggen. Het veen dat mijn grootvader heeft gestoken heb ik nooit ter hand genomen.
Veel kennis die vroeger een levenlang meeging heeft nu een korte omloopsnelheid. De vaardigheden die in je jonge jaren als noodzakelijk hebt eigen gemaakt, blijken twintig jaar later achterhaald. Zo maakte het rekenmachientje het hoofdrekenen overbodig, is binnenkort kennis van spelling onzinnig en moet nu de plattegrond eraan geloven.
Ik moet nog wennen aan dit inzicht. Twee weken geleden, midden in de nacht in de taxi van Amersfoort naar Deventer vertelde ik de taxichauffeur, jongen van voor in de twintig, dat ik me nog kon herinneren hoe de A1 werd aangelegd, die - voor ons, Twentenaren - elk jaar vanuit het westen een stukje dichterbij kwam. In de beginjaren was het een erg stille weg, zei ik, vooral toen de Muur er nog stond. De jongen keek mij vreemd aan. 'Sorry' zei hij, 'ik snap het niet, over welke muur heeft u het?' Ik vertelde hem van de wereld van voor 1989, van het IJzeren Gordijn, van gescheiden landen en concurrerende politieke systemen, van Koude Oorlog en wantrouwen en voelde me een oude man. 'Oh', zei hij, 'en deze weg gaat dus naar Duitsland?' 'Ja', zei ik, 'eerst komt Deventer, dan Hengelo en dan gaat het bij Oldenzaal de grens over.' 'Tjonge', zei de jongen.
Ik nam hem zijn onkunde al niet meer kwalijk. Hoe kon hij met het kleine LCD-schermpje van het navigatiesysteem - waarvan de uiterste rand bij gelegenheid slechts tot Deventer reikte - weten dat de wereld nog zoveel groter was? Misschien zou hij het ontdekken als een klant ooit zou vragen hem naar Hamburg of Berlijn te brengen, of zelfs nog verder. Ik hoopte Moskou voor hem.
In Deventer betaalde ik, stapte uit en betrapte mijzelf erop dat ik begon te twijfelen waar Duitsland lag en of het überhaupt wel bestond. Waarom zou ik dat nog moeten weten?
knooppunt holendrecht

