Feestgangers - proeve van een niet politieke preek 28/08

Preek n.a.v. Mattheüs 22 1 - 14

Meneer Buter beweegt ongemakkelijk op zijn stoel. Zojuist heeft hij plaats genomen aan een tafel, die gedekt is voor een diner. Aan beide zijden van zijn bord liggen twee messen en twee vorken. Achter zijn bord twee - nog lege - glazen en een lepel en een bordje met een naam. Mevrouw Merkenstein staat erop geschreven in sierlijke letters. Meneer Buter weet toch heel zeker dat hij niet mevrouw Merkenstein heet. Er moet iets verkeerd zijn gegaan. Ze hebben hem een verkeerde plaats gegeven. Moet hij iemand roepen? Even afwachten maar. Hij is hier nog nooit eerder geweest. Hij kent hier niet de weg. Naast hem schuift een vrouw aan tafel. Hij groet beleefd, maar enigszins verlegen. Ze glimlacht. Als zijn blik langs haar naambordje glijdt ziet hij hoe ze heet: Mevrouw Wenders staat er in al even sierlijke letters. Ze zet een tas naast zich neer en begint wat rond te kijken. Aan de andere zijde van Buter neemt een man plaats. ‘Dit is even onverwacht hè’, buldert de man in Buters oor en geeft hem een por met zijn elleboog. ‘Zomaar een feest!’ ‘Ja’, zegt meneer Buter, ‘zomaar een feest, maar ik geloof niet dat ik op de goede stoel zit.’ ‘Daar kon u wel eens gelijk in hebben’, zegt mevrouw Wenders, ‘volgens mij bent u niet mevrouw Merkenstein, of ik moet me wel heel erg vergissen’. ‘Dat klopt’, zegt Buter. Ik heet Buter, Gerrit Buter en ik zit op de verkeerde plek. ‘U niet alleen’, zegt mevrouw Wenders, ‘ik heet geen Wenders, maar Galinga, Marjan Galinga en ik denk dat die meneer naast u ook geen Wilders heet zoals op zíjn naambordje staat’. ‘Dat klopt’, zegt meneer Wilders. ‘Mijn naam is niet Wilders, maar Aboutaleb’.

Ze waren zomaar van straat geplukt, zomaar onderbroken in hun dagelijkse sleur. Op weg naar werk, huis of boodschappen. Ineens had er iemand voor hen gestaan. Hen staande gehouden en zich gelegitimeerd als dienaar van de koning. Hij had hen uitgenodigd mee te gaan. De zoon van de koning trouwde. En nu zaten ze hier als bruiloftsgasten, naast mensen aan wie ze gewoonlijk op straat voorbij liepen. Een vrolijke chaos met nog niet gekende namen. De koning had de hele wereld binnengehaald leek het wel. Rijp en rauw zat naast elkaar. Alsof er geen standen meer bestonden. Blijkbaar had de koning lak aan enige ordening. Het feest moest doorgang vinden. Er was al te veel weigering geweest, te veel verzet. Gasten waren niet komen opdagen. Ze hadden de uitnodiging naast zich neergelegd. Te druk. Te veel. Te zonde van je tijd. Dienaren van de koning, erop uitgestuurd met convocaties, werden vermoord. De koning op zijn beurt kwam met represailles. Er vielen opnieuw doden. Een stad brandde af. Dit verhaal vertelt Jezus als een gelijkenis van het koninkrijk der hemelen.

Mattheüs tekent dit verhaal van Jezus op tegen de achtergrond van het geweld in zijn dagen. Tegen de achtergrond van de vernietigde stad Jeruzalem. De tempel is verwoest. Het land is in een crisis. Het volk is van zijn hart beroofd. De beweging in navolging van Jezus is er één van Joden en niet Joden, van insiders en buitenstaanders, van gelovigen en heidenen. Het is een beweging zonder vaste plek, het zijn mensen van de weg. Er is iets uit deze tempel losgebroken, nog voordat hij vernietigd werd.. Het weten van God en het verlangen naar recht en verzoening. Het besef deel uit te maken van een grote geschiedenis die al lang voor jou is begonnen. Er is iets gevoeld van het appèl dat van dit geloof uitgaat. Het heeft de grenzen tussen mensen geslecht, barrières doorbroken. Door Jezus hebben buitenstaanders het kloppend hart van dit oude geloof als dat van henzelf herkend. Deze beweging is controversieel. Deze beweging kan niets meer met de heersende opvatting over identiteit. Volk en geloof vallen niet langer samen. Rijp en rauw zit hier naast elkaar. Het heeft iets van een vormenloos, maar ook bijna normenloos begin. Voor alles staat de uitnodiging mee te doen. Het feest moet gevierd.

Maar waarom eigenlijk? De koning wil het. De koning in dit verhaal heerst en stuurt. Heerst en stuurt wellicht meer dan ons lief is. Ons, wij, de late moderne lezers. De koning staat voor ´God´ in deze gelijkenis. Bijna onbegrijpelijk is zijn handelen. Het feest komt niet met zachte hand tot stand. Er komt geweld aan te pas. Repressief geweld dat chaos en opstand moet beteugelen. Blijkbaar kan het niet anders. In het midden van de chaos, in deze crisis moet er een ruimte worden bevochten. Het feest moet worden gevierd.

Als je als gast wordt uitgenodigd op een feest vier je in eerste instantie omwille van de ander. Een feest haalt je weg bij jezelf en roept je op een uitsparing in de tijd te maken. Het bevrijdt je van je eigenbelang. Niet jij staat centraal op het feest, maar degene die je nodigt. Rondom de gastheer of gastvrouw groepeert zich zo een bonte verzameling van mensen, die elk op hun beurt een eigen relatie en geschiedenis hebben tot degene die hen nodigt. Zo haalt een feest je weg bij je zelf.

Het feest kan je ook in een geschiedenis plaatsen, in een traditie. Je viert een 50 jarig huwelijk, een 90ste verjaardag. Je viert de bevrijding van een land, je viert de lente. Het feest maakt je er dan van bewust onderdeel van de tijd te zijn. Je plaatst jezelf in het licht van de geschiedenis en in het perspectief van de toekomst. Ook nu haalt het je weg uit je individuele bestaan, maar anders. Je realiseert je dat jij in de geschiedenis degene bent die ontvangt en doorgeeft. Je taal, je gebruiken, je gewoontes, je liefde. Je doet er niet zo erg toe temidden van miljarden anderen en tegelijkertijd ben je onmisbaar.

Verlies je het feest dan verlies je de ruimte voor de belangeloosheid. Als er geen plek meer is voor deze onnutte uitsparing in de tijd, dit moment van plechtig of vrolijk op adem komen, dan kun je je zomaar uitgeleverd weten aan de chaos, aan een wereld vol competitie, waar mensen zichzelf veroordelen door met elkaar te concurreren en te strijden. Verlies je het vieren, dan verlies je in deze strijd en concurrente uiteindelijk de ander.
Het feest is een voortdurende, kritische herinnering dat je als mens niet opgaat in je status van werknemer of werkgever, consument of idool, of één van de andere deelidentiteiten die wij ons tegenwoordig aanmeten en waarbij wij anderen en onszelf geen recht doen. Het feest is het moment dat ik mijzelf relativeer en dat mijn eigen – al dan niet opgeblazen ik – zich opnieuw moet verhouden tot jou en tot jou en tot jou. Op een vrolijke manier staat mijn identiteit ter discussie. Zit ik hier wel goed?

De koning richt een feest aan voor zijn zoon. Daar zitten ze als onbekenden voor elkaar. Weggehaald uit het leven van alledag zijn ze hier een ander. Status geld of macht telt niet meer. Hier durven de feestgangers hun maatschappelijke rol te verliezen. Hier kunnen ze zichzelf hervinden. Niet deelnemen aan dit feest betekent jezelf niet op het spel durven zetten.
Als de koning zich laat zien treedt hij ook binnen dit feest nog één keer hard op. Er is iemand zonder feestkleren. Hij laat hem naar buiten gooien. In dit optreden van de koning schetst Mattheus iets van de eis die aan de feestgangers wordt gesteld. De ruimhartigheid waarmee de mensen worden uitgenodigd betekent niet dat vrijheid met vrijblijvendheid moet worden verward. De kleren staan symbool voor het recht dat moet worden gedaan, dat daarbuiten in de chaos wordt geschonden. Die kleren moet je willen dragen. Als feestganger. Dit feest is hoe dan ook de oefening van een nieuw begin. Hier ontvouwt zich iets van de ethiek, van de leer van het goede leven in de nieuwe gemeenschap rond Jezus.

De vierde gang van het diner wordt afgeruimd. Obers in smetteloze uniformen bewegen zich geruisloos tussen de gasten. Ze halen borden weg, schenken glazen opnieuw vol en vragen iedere gast wat zij zich als dessert wensen. ‘Ik begin me toch wel zorgen te maken’, zegt mevrouw Galinga, terwijl ze zich tot de heren Buter en Aboutaleb wendt. ‘Straks komt er een ober met een rekening. Zouden we dit toch niet moeten betalen?’ ‘Het is gratis’, zegt meneer Aboutaleb, ‘voor niets’, verduidelijkt hij snel, niet wetend of ze het woord gratis wel kent. ‘Hoe weet u dat zo zeker?’ zegt meneer Buter. ‘Dat weet ik niet’ zegt meneer Aboutaleb. ‘Sommige dingen weet je gewoon’.

(Deze preek is gehouden op 13 maart 2007 in de Dominicuskerk in Amsterdam)