Gelukkig hebben we vijanden 24/02

Het team Deetman/Mans (niet te verwarren met de commissie Deetman van het seksueel misbruik) kwam vorige week met een verontrustend verslag. Rotterdam Zuid wordt dermate gekweld door criminaliteit, slechte woningen, drugs en werkloosheid dat er alleen op nationaal niveau nog redding mogelijk is. Ondanks de positieve titel van het verslag, ‘Kwaliteitssprong Zuid, ontwikkeling vanuit kracht,’ was de toon gezet. Een beeld van verval doemde op daar langs de zuidkant van de Maas, van huizen die geen stand houden tegen de erosie van tijd en water, van mensen die gevangen zitten in hun laatste bestemming, van riolen, ratten, gribus, brrr. een oord waar je niet wilt zijn. Nu wil het geval dat ik vorig jaar één van de leukste voorstellingen van Calvijn in Rotterdam Zuid heb gespeeld. Hoe erg is het daar eigenlijk? Een inwoonster van Zuid schreef gisteren in Trouw dat ze baalde van het getto-beeld dat de laatste dagen van de wijk in leven is geroepen. Ik begrijp dat. Ik baal er ook van als het NOS journaal hier in Amsterdam Zuidoost steevast de laatste sloopflat toont in de achtergrond van hun reportages en daarmee de vermeende slechte reputatie van de wijk in stand houdt. Het is luie journalistiek, die de nuances mijdt en blijft steken in grofsoortige oordelen.
Nu is er niets mis met oordelen, noch met vooroordelen. Het is inherent aan ons vermogen tot waarnemen. Wij zien, vormen een vooroordeel, onderzoeken dit vooroordeel en komen tot een eindoordeel. 'Hij zag er uit als een enorme nerd, maar toen we in gesprek raakten bleek hij erg aardig'. Zoiets. Normale communicatie bestaat uit een voordurend toetsen en corrigeren van vooroordelen. Tussen beeld en oordeel is er de noodzakelijke fase van de tegenspraak. Ontbreekt deze fase dan wordt het gevaarlijk. Het beeld valt dan samen met het oordeel. Juist in een tijd van technisch volmaakte beeldmanipulatie dient het wantrouwen over het beeld alleen maar toe te nemen. Het omgekeerde is echter het geval. Misschien wel veroorzaakt door de overvloed ervan, omarmen wij beelden zonder kritische toetsing. We geven daarmee aan het beeld een macht die het Bijbelse beeldverbod begrijpelijk maakt. In Oudtestamentische tijden wist men dat de massale omarming van een beeld een enorme vernietigingskracht kan ontketenen. Een volk kan zich kritiekloos verenigen in het beeld van een leider. Het kan zich ook verenigen in het beeld van een gemeenschappelijke vijand. Beide hebben een zelfde effect van uitsluiting en destructie.
Wat me de laatste maanden bezighoudt is de vraag waarom we in ons land een vijandsbeeld nodig hebben. Hoe is het mogelijk dat in één van de welvarendste landen ter wereld, een land ook dat democratisch behoorlijk op orde is, moslims stelselmatig apart worden gezet als een onaangepaste groep landgenoten die niet te vertrouwen zijn en uiteindelijk uit zijn op onze vernietiging? Waarom heeft dit land een vijandsbeeld nodig? Is het een rudiment uit de tijd dat we in het communisme daadwerkelijk een vijand hadden? Zijn we verslaafd geraakt aan het ons bedreigd voelen? Voelen we ons onveilig zonder tegenstander? Zoiets moet het toch zijn. Hoe is het anders te verklaren dat er een sterke stroming in het land bestaat die 'ons' een identiteit wil geven door een groep te creëren die we als 'niet van ons' beschouwen. Onophoudelijk wordt er een beeld van die ander neergezet dat nauwelijks nog ruimte laat voor tegenspraak. Wie de nuances zoekt wordt naïviteit verweten. Kritische toetsing van het beeld is bij voorbaat verdacht.
Toegegeven, het is een verleidelijke constructie. Door de oorzaak van de onvrede buiten onszelf te leggen kan elk zelfonderzoek worden gemeden. Zijn we misschien bang voor de kracht van onze eigen cultuur? Een kleine blik in de geschiedenis leert dat we ons als land voordurend aan hebben moeten passen aan omringende grootmachten. Onze monarchie danken we aan de Engelse politiek van het begin van de 19de eeuw, veel van onze wetgeving werd door Napoleon achtergelaten, onze taal vindt zijn wortels bij onze Oosterburen, ons drie-gangendiner danken we aan de Moorse overheersing van Andalusië. Door de geografische ligging van ons land heeft het zich nooit kunnen afsluiten van de buitenwereld. Simpelweg omdat we er afhankelijk van waren. Dat is niet veranderd. Mensen die aan dit land mee wilden bouwen, kregen een plek in de polder. Openheid en identiteit gingen samen. De angst die er nu heerst is misschien de prijs die betaald wordt voor het verwaarlozen van deze geschiedenis. De ander, moslim, of wie dan ook mag daarvan niet het slachtoffer zijn. We zullen moeten onderzoeken waarom we diep in het hart ons gelukkig prijzen met vijanden.