Ik fiets achter de Hondsbossche Zeewering. Er staat een forse tegenwind. In de verte ligt Petten, het einde is af te zien gelukkig. Voor je het weet gaat een dijk in je hoofd zitten en trekt dan met zijn lengte en monotonie alle kracht uit de benen. Er is iets met deze dijk aan de hand. Decennialang is hij het symbool geweest van veiligheid, van kracht en bescherming van het achterliggende land. Maar sinds een jaar of tien is de dijk het symbool van onze angst. De angst voor het mogelijke verlies van een cultuur die we plotseling als waardevol zijn gaan beschouwen. Achter deze dijken verbergen we ons. Terwijl we schuilen voeden we ons isolationisme, onze boosheid op de Grieken en onze angst voor de Islam. Het is een veilig schuilen, er is geen dijk die onze afkeer van Europa weerspreekt. Binnen de dijkgrenzen denken we ons in dit platte vlak alleen. Arme wij. Het Nederlandse populisme is een vorm van polderkolder. Nergens een bergkam aan de horizon, die ons bevrijdt en zicht geeft op andere culturen en andere landen. We kunnen ze wegdenken. Moe van de tegenwind zet ik mijn fiets aan de kant en struin naar de kruin van de dijk. Er is niets aan de hand met deze waterkering, maar wel met ons. Ik kijk over eindeloos water. Niet meer dan een vermoeden van buitenland. Ergens.
(gepubliceerd in TROUW, 5 juli 2011)
Hondsbossche Zeewering

