De lekenpreek van Jan Jaap van der Wal 31/10

Gisteren bij de aftrap van de eerste Preek van de Leek van 2011 geweest. Cabaretier Jan Jaap van der Wal viel de eer te beurt de al weer vierde serie lekenpreken in de Doopgezinde Kerk aan de Singel in Amsterdam te openen. Over talenten zou het gaan in deze dienst, zoveel was al wel prijsgegeven. Verder was het zoals bij alle lekenpreken, afwachten wat de in dit geval niet gelovige voorganger de gemeente zou gaan brengen. Het begin van de dienst was spannend. Gemeente! begon van der Wal met een ondertoon van sarcastische dreiging, hij vertelde wat hem hier op de kansel had gebracht - ik kan geen nee zeggen - en zette in met de hypocriete manier waarop er in Nederland met de minderjarige asielzoeker Mauro Manuel wordt omgegaan.. Mooi dacht ik, dit is een veelbelovend begin, mensen meenemen in je verontwaardiging, man en paard noemen in plaats van een weeïg aanvangsgebed dat ik al te vaak hoor. Maar, corrigeerde Van der Wal zichzelf, het mocht in deze dienst niet over politiek of maatschappij gaan, dat was niet de afspraak, het moest vooral over hemzelf gaan. En zo geschiedde. Jan Jaap las de tekst van de roeping van de jonge Samuël in de tempel, die pas na de derde maal door heeft dat het God is die hem roept. Vervolgens vertelde hij dat grappen op het toneel in drieën worden opgebouwd, zoals Wim Kan dat meesterlijk kon; liet ons weten dat talenten in een mens wakker geroepen worden en vertelde dat hij het na één jaar kunstgeschiedenis voor gezien had gehouden en het leven als leerschool ziet waarin mensen hem boeken en verhalen aanreiken. Tot slot waarschuwde hij ons ervoor niet slaaf van je talenten te worden, want dan was er geen enkele rust meer. Het gaat altijd maar door, klaagde hij en vroeg ons als publiek een minuut stil te zijn om zich te kunnen concentreren op de dankbaarheid voor de talenten die hij had gekregen. En zo geschiedde, iedereen was braaf stil; ik nam maar meteen de gelegenheid te baat even te danken voor mijn eigen pakketje talenten.
Was dit spannend? Nee.
Hoe je het wendt of keert, een kerkdienst veronderstelt de ontmoeting met God. Dat kan in allerlei vormen gebeuren, de traditionele liturgie is er één van; de tekst van Samuel is zelfs een oerverhaal van een dergelijke Godsontmoeting. Het is logisch dat Van der Wal als atheïst hierin niet mee kan komen. Hij treedt in deze kerkdienst niet voor het aangezicht des Heren, om het maar eens prettig gereformeerd uit te drukken. Voor hem is dit niets anders dan een ontmoeting met het publiek zoals hij die in het theater ook heeft. Hij houdt het in de ban door het te vermaken en te vermanen, te bepreken en te moraliseren en laat daarbij op het scherpst van de snede - het podium is een plaats waar hij moet zien te overleven - zijn kracht en kwetsbaarheid zien. Dat had hij ook prachtig kunnen doen in deze kerkdienst, maar dan had hij deze wel helemaal naar zijn hand moeten zetten. Nu constateerde hij bij de collecte tot zijn verbazing dat hij alle macht over het publiek was kwijtgeraakt. Vanuit zijn optiek een begrijpelijke constatering, maar vanuit de kerkganger gezien niet. Dat publiek is het gewend zich te voegen in de orde van de liturgie en weet wanneer er gezongen, gezwegen en gebeden kan worden. Het ziet de voorganger ook niet als een koorddanser die zich op een podium staande moet houden, maar als degene die in de traditie van kerk en christendom het Woord van God uitlegt en daarbij niet al te verontrustende woorden spreekt. Dat nu: ons verontrusten, dat had ik Van der Wal graag zien doen, gezien zijn reputatie op het podium. Ik had hem graag door de porseleinkast van onze burgerlijke christelijkheid zien banjeren en hem de moraliserende voorganger zien zijn, zoals hij dat op het podium is. Ik had hem graag gehoord als gereformeerde donderpreker met een taal die au doet. Dan hadden we na de dienst wellicht verlegen het keurige glas grachtengordelwijn tot ons genomen, verontrust of verontwaardigd of in een diepe stilte. Dat laatste dan: uit dankbaarheid.