stickerZijn er nog dingen die ik moet weten? M. was voor het eerst bij een nieuwe mondhygiëniste en zat kaarsrecht op de stoel die weldra in een ligstand zou worden gezet. ‘Ik stook mijn tanden niet, of ik tandenstook niet, nou ja, ik ga niet met zo’n houtje tussen mijn tanden, maar ik poets wel braaf. Het kwam eruit als een biecht. ‘Ik hou het niet vol met die tandenstoker. Ik begin enthousiast maar geef het na een paar dagen op.’ Dit laatste was niet helemaal waar, of helemaal niet waar, M. haatte het gebruik van een tandenstoker, wilde dat om een voor hem onduidelijke reden niet toegeven en vluchtte in het leugentje om bestwil, die in de steriele hygiënistenkamer akelig vals en onwaar klonk. Het is een doorzichtige liegbiecht, dacht M, maar de woorden waren nu gesproken en het was beter openheid van zaken te geven, dan straks de mondhygiëniste de constatering te laten doen. Met een ijzeren haakje zou ze de diepte van zijn tandvlees peilen, ontdekken dat het nog steeds ontstoken was en dan zou het gaan bloeden, zoals het elk halfjaar bloedde, ritueel en nodeloos. Dan zou ze zeggen dat zijn mond in het geheel een onrustig beeld te zien gaf. Met zijn biecht had hij haar in ieder geval een jufferige bestraffing ontnomen, mocht ze zich daartoe verleid weten. 'Ik zal kijken wat ik voor u kan doen', zei ze en manoeuvreerde M. in een horizontale stand, die hem even deed duizelen maar daarna in een aangename ontspanning belanden.
De schade bleek nog groter dan gevreesd. Achter in de mond was na een wortelkanaalbehandeling de vulling uit een kies verdwenen waarin zich nu het eten ophoopte, tussen tanden en kiezen groeiden de bacteriën en het tandsteen was niet dramatisch toegenomen, maar diende wel te worden verwijderd. ‘Uw mond geeft in zijn geheel een onrustig beeld te zien’, zei de hygiëniste, pakte een ragfijn ragertje, en drukte hem een spiegel in de hand om hem te tonen hoe hij zijn gebit diende te reinigen. Het was deze inmiddels rituele handeling die M. vreesde, het verplicht kijken in zijn mond, het aanschouwen van de tekenen van verval, die met enige reparaties weliswaar vertraagd kon worden, maar nooit meer gestopt. Hij wilde het niet zien, deze blik in het verleden, helemaal niet op deze dag, 2 januari van dit nog jonge jaar. De krant had deze morgen ook al niets optimistisch weten te melden, de economische vooruitzichten waren somber, oud minister Wim Kok verweet in een radiointerview de Europese leiders een gebrek aan daadkracht net als Nout Welling, de voormalig president van de Nederlandse Bank. Ook de tiende verjaardag van de euro, ooit met luid gejuich begroet, was geen reden meer tot feest. Beide mannen hadden aangegeven dat ze met ‘de wetenschap van nu’ in hun arbeidzame leven andere beslissingen hadden genomen. Het ergerde M. deze ‘wetenschap van nu’ clausule, die ingevoerd werd om onwetendheid en ontijdigheid als geldig argument in een discussie op te voeren. De wetenschap dat er altijd voorschrijdende inzichten zouden blijven gaf aan laffe politici een alibi voor laffe politiek. Was er dan niemand meer die in de toekomst kon kijken? De Maya’s wisten eeuwen geleden met hun kalender al dat 21 december van dit jaar de laatste dag zou worden. Ook dat toekomstpersectief maakte M. niet vrolijker.
Een blik in zijn mond bracht daar geen verandering in. De hygiëniste nam de spiegel terug, polijstte zijn tanden en maakte een vervolgafspraak. M. veerde op uit de stoel. Genoeg gesomberd zei hij tegen zichzelf, we gaan er tegenaan. Hij bedankte de hygiëniste, stapte op de fiets en stuitte bij de Berlagebrug op een sticker, die op het voorrangsbord was geplakt. Het ergste moet nog komen, stond erop te lezen. Stomme doemdenkers zei M, wat weten jullie nu van de toekomst? Het licht sprong op groen. M. trapte zich de moed in de benen.

